Artikel 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt aangewezen als Minister, bedoeld in artikel 1, onder c , van de Sanctiewet 1977 , voor zover de uitoefening van de in de wet omschreven bevoegdheden betrekking heeft op de scheepvaart, de luchtvaart, het wegverkeer, de post en de telecommunicatie, bedoeld in artikel 3 van de Sanctiewet 1977 .
BWBR0003314
Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
BWBR0003314
Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt aangewezen als Minister, bedoeld in artikel 1, onder c , van de Sanctiewet 1977 , voor zover de uitoefening van de in de wet omschreven bevoegdheden betrekking heeft op het betalingsverkeer, bedoeld in artikel 3 van de Sanctiewet 1977 .
BWBR0003315
Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
BWBR0003315
Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken wordt aangewezen als Minister, bedoeld in artikel 1, onder c , van de Sanctiewet 1977 , voor zover de uitoefening van de in de wet omschreven bevoegdheden betrekking heeft op het goederen- en dienstenverkeer, bedoeld in artikel 3 van de Sanctiewet 1977 . Voorzover dit verkeer betreft landbouwgoederen als bedoeld in het Invoerbesluit...
BWBR0003316
Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
BWBR0003316
Artikel 1 Onze Minister van Justitie wordt aangewezen als Minister bedoeld in artikel 1, onder c , van de Sanctiewet 1977 , voor zover de uitoefening van de in de wet omschreven bevoegdheden betrekking heeft op de toelating en het verblijf van vreemdelingen, bedoeld in artikel 4 van die wet.
BWBR0003317
Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
BWBR0003317
Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd in het belang van de zuivering van de bodem ten behoeve van de Staat, andere lichamen of personen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van onroerende zaken gelegen in de gemeente Lekkerkerk te vorderen in verband met de aldaar gebleken verontreiniging van de bodem.
BWBR0003321
Artikel 2 • 1. De Vorderingswet 1962 is van toepassing met dien verstande dat: • 1°. de artikelen 3 , 5, 9, derde lid, en 13, derde lid, tweede zin, buiten toepassing blijven; • 2°. de bevoegdheid bedoeld in artikel 29 toekomt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. • 2. Bij de bepaling van de schadevergoeding blijft de verontreiniging van de bodem ...
BWBR0003321