Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand gewenst is te komen tot een Wet werk en bijstand, waarin de Algemene bijstandswet, de Wet financiering Abw, IOAW en IOAZ, de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit in- en doorstroombanen zijn geïntegreerd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
a.
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
1°.
een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;
2°.
een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is;
h.
[vervallen door vernummering;]
i.
Algemene bijstandswet :
Algemene bijstandswet zoals deze luidde op 31 december 2003;
j.
Wet inschakeling werkzoekenden :
Wet inschakeling werkzoekenden zoals deze luidde op 31 december 2003;
k.
Besluit in- en doorstroombanen :
Besluit in- en doorstroombanen zoals dit luidde op 31 december 2003;
l.
Invoeringswet Wet werk en bijstand :
Invoeringswet Wet werk en bijstand zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 586).
a.
premies volksverzekeringen: premies volksverzekeringen als bedoeld in de
Wet financiering sociale verzekeringen ;
c.
kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet .
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a.
echtgenoot: geregistreerde partner;
b.
echtgenoten: geregistreerde partners;
c.
huwelijk: geregistreerd partnerschap;
d.
gehuwd: als partner geregistreerd;
e.
gehuwde: als partner geregistreerde;
f.
gehuwden: als partners geregistreerden;
g.
echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing.
2.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a.
als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b.
als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a.
zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
b.
uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c.
zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d.
zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
6.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
a.
alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b.
alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
2°.
de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;
3°.
de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d.
kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de
artikelen 9 en
9a , het in Nederland woonachtige pleegkind;
e.
ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
a.
bijstand: algemene en bijzondere bijstand;
b.
algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
c.
bijstandsnorm: de op grond van
paragraaf 3.2 , op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van
paragraaf 3.3 , door het college vastgestelde verhoging of verlaging;
d.
bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in
artikel 35 , en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in
artikel 36 ;
e.
voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon, jonger dan 65 jaar, die als werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en die geen recht heeft op een uitkering op grond van deze wet of de
Wet investeren in jongeren , de
Werkloosheidswet , de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen , de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten , de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Toeslagenwet , de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria , de
Algemene nabestaandenwet dan wel op grond van een regeling, die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;
b.
arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a ;
c.
sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie;
2.
Voor de toepassing van deze wet wordt niet als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in
hoofdstuk 2 of
3 van de Wet sociale werkvoorziening . Voor de toepassing van de
artikelen 7 ,
8 en
10 wordt voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de
Wet sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de
artikelen 2 en
7 van die wet .
1.
Het college is verantwoordelijk voor:
a.
het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in
artikel 10, tweede lid , personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening, en;
b.
het verlenen van bijstand aan personen hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2.
Het college werkt bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, samen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
3.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op personen aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. Het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen overeenkomen dat het eerste lid, aanhef en onderdeel a, van toepassing is op voornoemde personen. Daarnaast kunnen het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overeenkomen dat het college aan voornoemde personen een voorziening aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
4.
Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. Het college kan de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met vierde lid.
1.
De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
c.
het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in
artikel 30 ;
d.
het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in
artikel 36 ;
2.
De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben:
a.
voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel a, in ieder geval betrekking op de evenwichtige aandacht voor de in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a , genoemde groepen, alsmede voor verschillende doelgroepen daarbinnen, en op de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken;
b.
voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel d, in ieder geval betrekking op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen;
c.
voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel f, in ieder geval betrekking op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.
Artikel 8a. Regels bestrijding misbruik
De gemeenteraad stelt in het kader van het financiële beheer bij verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Artikel 8b. Gemeenschappelijke regelingen
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de
Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in
artikel 8 van die wet , treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van
paragrafen 7.1 en
7.3 , in de plaats van de betrokken colleges.
1.
De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is, vanaf de dag van melding als bedoeld in
artikel 44, tweede lid , verplicht:
b.
gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
2.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voorzover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a .
3.
Indien bijstand wordt verleend aan gehuwden gelden de verplichtingen bedoeld in het eerste lid voor ieder van hen.
4.
De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene.
5.
De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op de persoon die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de
Wet sociale werkvoorziening .
2.
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig verleend.
3.
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel b , niet wil nakomen.
4.
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste zes jaar. Op deze periode worden in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel in de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode, dan wel perioden, waarin toepassing is gegeven aan
artikel 17, vierde lid, van de Wet investeren in jongeren .
5.
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van zes jaar nog niet volledig is benut:
a.
van rechtswege opgeschort, met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar bereikt;
b.
van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat;
c.
door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of
d.
door het college opgeschort indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel b , niet wil nakomen.
6.
Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.
7.
Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel b , voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.
8.
Het college vult de voorziening, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel b , voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
9.
Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel b , in met een opleiding, als bedoeld in
artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs , die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
1.
Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a , aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een van de groepen, bedoeld in het eerste lid, behoren.
1.
Het college kan ter uitvoering van
artikel 7, eerste lid, onderdeel a , degene die algemene bijstand ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.
2.
Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
3.
Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden, verricht in het kader van een andere voorziening als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a , voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten indien er naar het oordeel van het college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht van dezelfde of grotere omvang die aanvangt tijdens of aansluitend op die zes maanden.
4.
Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden verricht voor 1 januari 2007, buiten beschouwing gelaten.
5.
Het college biedt aan degene die op grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een startkwalificatie na een periode van zes maanden na aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van belanghebbende.
6.
Het college verstrekt aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel j , indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.
7.
Indien het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn overeengekomen dat
artikel 7, eerste lid, onderdeel a , van toepassing is op een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt, dient bij de toepassing van het eerste lid voor «algemene bijstand» te worden gelezen: uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
8.
Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet het geval is wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd.
9.
Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college voor afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn van twee jaar verlengen met een jaar, onder de voorwaarde dat de belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere additionele werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft verricht.
10.
Indien de termijn van twee jaar is verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het college voor afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn nogmaals verlengen met een jaar.
1.
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a.
ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of
4.
Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.
Artikel 12. Onderhoudsplicht ouders
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voorzover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a.
de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b.
hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
1.
Geen recht op bijstand heeft degene:
a.
aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
b.
die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
c.
die wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voorzover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
d.
die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;
e.
die jonger is dan 18 jaar, voor zover het het recht op bijzondere bijstand betreft;
f.
die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2.
Geen recht op algemene bijstand heeft degene:
a.
van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft;
b.
die uitkering op grond van de
Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt of die gehuwd is met een persoon die een zodanige uitkering ontvangt;
3.
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of een inrichting als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen . Het eerste lid, onderdeel a, is, voor zover het het recht op bijzondere bijstand betreft, niet van toepassing op de persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van de
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen , dan wel van
artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht of, na ontslag van alle rechtsvervolging, van
artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .
4.
?In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, geldt:
b.
voor personen van 65 jaar of ouder, een periode van 26 weken.
a.
de voldoening aan alimentatieverplichtingen;
b.
de betaling van een boete;
c.
geleden of toegebrachte schade;
d.
vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;
e.
kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de
Wet op bijzondere medische verrichtingen , of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.
1.
Geen recht op bijstand bestaat voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
2.
De
Wet werk en inkomen kunstenaars geldt niet als een voorliggende voorziening als bedoeld in het eerste lid.
1.
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
1.
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2.
De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
1.
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
2.
Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel b , ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet dan wel de
artikelen 28, tweede lid , of
29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3.
Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
4.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
1.
Onverminderd
paragraaf 2.2 , heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:
a.
het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b.
er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
2.
De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.
3.
In de algemene bijstand is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 4,8 procent [Red: per 1 januari 2009: 5 procent] van die bijstand.
4.
De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de
Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
1.
Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a.
een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: € 196,23 [Red: per 1 juli 2009: € 223,74] ;
b.
gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 392,46 [Red: per 1 juli 2009: € 447,48] ;
c.
gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: € 764,02 [Red: per 1 juli 2009: € 871,28] .
2.
Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar met een of meer ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a.
een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar: € 423,34 [Red: per 1 juli 2009: € 482,75] ;
b.
gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: € 619,57 [Red: per 1 juli 2009: € 706,49] ;
c.
gehuwden waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: € 991,13 [Red: per 1 juli 2009: € 1.130,29] .
Artikel 21. Normen 21–65 jaar
Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a.
een alleenstaande: € 567,79 [Red: per 1 juli 2009: € 647,54] ;
b.
een alleenstaande ouder: € 794,90 [Red: per 1 juli 2009: € 906,55] ;
c.
gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar: € 1135,57 [Red: per 1 juli 2009: € 1.295,07] .
a.
een alleenstaande: € 843,90 [Red: per 1 juli 2009: € 994,64] ;
b.
een alleenstaande ouder: € 1071,01 [Red: per 1 juli 2009: € 1.252,56] ;
c.
gehuwden waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn: € 1188,16 [Red: per 1 juli 2009: € 1.368,01] ;
d.
gehuwden waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar: € 1197,70 [Red: per 1 juli 2009: € 1.368,01] .
1.
Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a.
een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 245,85 [Red: per 1 juli 2009: € 288,37] ;
b.
gehuwden: € 382,43 [Red: per 1 juli 2009: € 448,53] .
2.
Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
a.
voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 51,00 [Red: per 1 januari 2009: € 43,00] ;
b.
voor gehuwden € 73,00 [Red: per 1 januari 2009: € 80,00] .
3.
Indien een van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de norm de som van de normen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
Artikel 24. Afwijking norm gehuwden
Indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
1.
Het college verhoogt de norm, bedoeld in
artikel 21, onderdelen a en b , met een toeslag voorzover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
2.
De toeslag bedraagt ten hoogste € 227,11 [Red: per 1 juli 2009: € 259,01] per kalendermaand.
Artikel 27. Woonsituatie
Het college kan de norm, bedoeld in de
artikelen 20 en
21 , of de toeslag, bedoeld in
artikel 25 , lager vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Artikel 28. Schoolverlaters
Het college kan voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de toeslag, bedoeld in
artikel 25 , gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de
Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van
hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten .
1.
Het college kan de toeslag, bedoeld in
artikel 25 , voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen voorzover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
1.
In de verordening, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel c , stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
2.
In deze verordening stelt de gemeenteraad in elk geval vast dat:
a.
onverminderd de
artikelen 27 ,
28 en
29 , de toeslag, bedoeld in
artikel 25 , voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;
4.
Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats onverminderd
artikel 18, eerste lid .
1.
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in
hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 .
2.
Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
a.
de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon;
b.
kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c.
de jonggehandicaptenkorting alsmede, voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, de aanvullende alleenstaande ouderkorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, bedoeld in
hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ;
d.
tegemoetkomingen in de zin van de
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ;
e.
eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de
Wet bevordering eigenwoningbezit ;
f.
vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;
h.
inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;
j.
een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 1984,00 [Red: per 1 juli 2009: € 2.219,00] per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
k.
een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag;
l.
bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;
m.
giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;
n.
een uitkering tot levensonderhoud op grond van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voorzover deze uitkering op grond van
artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;
o.
inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 183,00 [Red: per 28 juli 2009 en terugwerkend tot en met 1 juli 2009: € 186,00] per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon jonger dan 65 jaar geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
p.
een financiële tegemoetkoming waarop personen met een ouderdomspensioen op grond van de
Algemene Ouderdomswet recht hebben en een financiële tegemoetkoming waarop personen met een uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet recht hebben;
t.
tegemoetkomingen op grond van de
Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten ;
3.
De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van:
a.
de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting of inkomstenbelasting;
b.
de daarover door de belanghebbende verschuldigde premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen dan wel een inhouding die met een of meer van deze premies overeenkomt, alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 41 van de Zorgverzekeringswet ;
c.
ten laste van de belanghebbende komende verplichte bijdragen ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen;
d.
andere ten laste van de belanghebbende komende verplichte inhoudingen.
4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen.
1.
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van
artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a.
betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel j , een kostenvergoeding als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel k , inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in
artikel 41 van de Zorgverzekeringswet , dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b.
betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
2.
Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt.
3.
Indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voorzover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Voor de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
4.
In afwijking van het derde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voorzover het de bijstandsnorm te boven gaat.
1.
Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen wordt de waarde daarvan vastgesteld op het daarvoor door belanghebbende opgeofferde bedrag.
2.
Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de
Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud als bedoeld in
artikel 3.2 van die wet wordt gesteld op:
a.
voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 [Red: per 1 januari 2009: € 302,69] per kalendermaand;
b.
voor een uitwonende studerende: € 486,94 [Red: per 1 januari 2009: € 543,73] per kalendermaand.
4.
Indien de belanghebbende de woning bewoont met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking genomen voorzover het college daarmee nog geen rekening heeft gehouden bij de verhoging of verlaging van de norm, bedoeld in
paragraaf 3.3 .
5.
Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of een van de echtgenoten 65 jaar of ouder is, wordt voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van:
a.
voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: € 16,45 [Red: per 1 januari 2009: € 18,05] per kalendermaand;
b.
voor de gehuwden tezamen: € 32,90 [Red: per 1 januari 2009: € 36,10] per kalendermaand.
1.
Onder vermogen wordt verstaan:
a.
de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b.
middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de
artikelen 32 en
33 .
2.
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a.
bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b.
het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
c.
spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
d.
het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in
artikel 50, eerste lid , voorzover dit minder bedraagt dan € 42 000,00 [Red: per 1 januari 2009: € 46.100,00] ;
3.
De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a.
voor een alleenstaande: € 4975,00 [Red: per 1 januari 2009: € 5.455,00] ;
b.
voor een alleenstaande ouder: € 9950,00 [Red: per 1 januari 2009: € 10.910,00] ;
c.
voor de gehuwden tezamen: € 9950,00 [Red: per 1 januari 2009: € 10.910,00] .
4.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is toegekend en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat:
a.
bij aanvang van de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid, onderdeel b;
b.
tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.
1.
Onverminderd
paragraaf 2.2 , heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31, tweede lid , en
artikel 34, tweede lid , niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
2.
Het college kan bijzondere bijstand weigeren, indien de in het eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van € 107,00 [Red: per 1 januari 2009: € 120,00] niet te boven gaan.
3.
In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon van 65 jaar of ouder, behorend tot een bepaalde categorie, worden verleend, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
4.
In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon, behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten, of met een hem ten laste komend kind dat tot die categorie behoort, worden verleend met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon of dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij of dat kind behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
5.
In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon, met een hem ten laste komend kind dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt, worden verleend met betrekking tot kosten in verband met maatschappelijke participatie van dat kind, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
6.
In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.
7.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bijzondere bijstand niet verstaan langdurigheidstoeslag als bedoeld in
artikel 36 .
8.
Voorzover de gemeente krachtens de
Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, wordt de bijzondere bijstand verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen, alsmede met de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
1.
Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
2.
Bij de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.
3.
Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van 12 maanden in aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag.
4.
De langdurigheidstoeslag wordt verleend met ingang van de datum waarop de persoon langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
artikel 34 heeft.
1.
Het college verleent op aanvraag aan de alleenstaande ouder, bedoeld in
artikel 1, onderdeel a, van de Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders , die op grond van
artikel 2, van die wet in een kalenderjaar niet in aanmerking komt voor de Vazalo-toeslag, met betrekking tot elke kalendermaand in dat kalenderjaar waarin die alleenstaande ouder inkomsten uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven als bedoeld in
artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers heeft waarvan het maandbedrag ten minste gelijk is aan 1/12 van het in
artikel 2, eerste lid, van de Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders genoemde bedrag, een arbeidstoeslag alleenstaande ouder tot het bedrag volgens de volgende tabel:
Bij een inkomen als bedoeld in
artikel 32 :
2.
De arbeidstoeslag alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, wordt verminderd met het bedrag van de middelen dat op grond van
artikel 31, tweede lid, onderdelen c en o , over de betreffende kalendermaand niet tot de middelen van belanghebbende is gerekend, alsmede met het bedrag dat op grond van
artikel 31, tweede lid, onderdeel j , in het betreffende kalenderjaar niet tot de middelen is gerekend en na afloop van het kalenderjaar vastgesteld en betaald.
4.
De in het eerste lid in de tabel genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling vastgesteld.
1.
In deze paragraaf wordt onder netto minimumloon verstaan het minimumloon per maand, genoemd in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag , verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van
artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 41 van de Zorgverzekeringswet , en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
2.
De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer, jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in
artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 , over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet , en verminderd met de premies werknemersverzekeringen.
3.
Indien ingevolge een van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
1.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden herzien:
b.
het percentage, genoemd in
artikel 19, derde lid , zodanig dat dit gelijk is aan de procentuele verhouding tussen de netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag over het minimumloon en het netto minimumloon. Onder netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag wordt verstaan het verschil tussen het netto minimumloon en het netto minimumloon zoals dat overeenkomstig
artikel 37, eerste lid , zou zijn berekend zonder rekening te houden met de aanspraak op vakantiebijslag, bedoeld in
artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag .
2.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantiebijslag, wijzigt, worden de bedragen, genoemd in
artikel 31, tweede lid, onderdelen j en o , herzien met het percentage van deze wijziging.
3.
Met ingang van de dag waarop het netto ouderdomspensioen en de daarbij behorende vakantie-uitkering ingevolge de
Algemene Ouderdomswet wijzigen, worden de normen, genoemd in
artikel 22 , herzien met het percentage van die wijziging.
4.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in
artikel 23, eerste lid , herzien met het percentage van deze wijziging.
6.
Van de herziene normen en bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
3.
Van de herziene bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
3.
Indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, schort het college het recht op bijstand op.
4.
Geen opschorting vindt plaats indien:
a.
de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de bijstand;
b.
de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;
c.
daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.
5.
Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het derde lid, aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adresgegevens te doen aanpassen binnen een door het college te stellen termijn.
6.
De opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het vijfde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de bijstand of trekt het dit in met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
2.
Indien het een aanvraag betreft van andere dan algemene bijstand dan wel van algemene bijstand aan een persoon die in een inrichting verblijft, een persoon van 65 jaar of ouder, of een persoon zonder adres als bedoeld in
artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag ingediend bij het college.
3.
De gemeenteraad kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bij verordening categorieën van aanvragen vaststellen die, in afwijking van het tweede lid, bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ingediend.
1.
Indien doorzending van de aanvraag naar het college van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en dit van oordeel is dat het evenmin de aanvraag dient te behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden verkregen over de in
artikel 40 bedoelde woonplaats, draagt het college dat de doorgezonden aanvraag heeft ontvangen er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
2.
In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
3.
Kosten van bijstand verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed door het college van de gemeente waarvan de taak is waargenomen.
1.
Het college stelt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
2.
De bijstand wordt door de echtgenoten gezamenlijk aangevraagd dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
3.
Het college stelt het recht op bijstand ambtshalve vast indien een van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch bijstandsverlening, gezien de belangen van de overige gezinsleden, niettemin geboden is.
1.
Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
2.
De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in
artikel 41, eerste of vierde lid , of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in
artikel 41, tweede of derde lid .
3.
Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.
1.
De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald. In afwijking van de eerste volzin wordt de vakantietoeslag, voorzover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden of zo veel eerder als de vakantietoeslag over deze periode vaststaat, dan wel binnen drie maanden volgend op de maand waarin de algemene bijstand is beëindigd.
2.
Het college kan op grond van
artikel 18, eerste lid , besluiten de algemene bijstand over een andere periode als bedoeld in het eerste lid vast te stellen of te betalen.
3.
De algemene bijstand wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand waarover recht op bijstand bestaat, indien de alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de bijstandsverlening:
a.
gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen algemene bijstand ontvangt; of
b.
anderszins geen recht op algemene bijstand heeft.
4.
De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
5.
Ingeval van overlijden van een van de echtgenoten, van de alleenstaande ouder, van het laatste ten laste komende kind van gehuwden waarvan de leeftijd van een echtgenoot of beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar is, of van het laatste ten laste komende kind van de alleenstaande ouder, wordt de algemene bijstand tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de op het moment van overlijden van toepassing zijnde bijstandsnorm aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen, onderscheidenlijk de gewezen alleenstaande ouder.
1.
De bijstand is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
2.
Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag.
3.
Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de bijstand, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
4.
Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
a.
periodiek overleg wordt gevoerd met deze personen of hun vertegenwoordigers;
b.
deze personen of vertegenwoordigers onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden;
c.
zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
1.
Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om niet.
2.
Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:
a.
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
b.
de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
c.
de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;
d.
het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
3.
Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
4.
Het college verstrekt bijzondere bijstand als bedoeld in
artikel 35, vijfde lid , in natura, tenzij dit naar het oordeel van het college leidt tot een ondoelmatige uitvoering van dat lid.
4.
Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand of een uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de
Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering.
a.
in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:
1°.
gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de
Wet op het financieel toezicht ;
2°.
een financiële onderneming die ingevolge de
Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank dan wel daarmee geen relatie onderhoudt;
b.
indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.
1.
De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voorzover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2.
Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening:
a.
indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in
artikel 37, eerste lid ; en
1.
Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.
2.
Indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
1.
Het college verleent uiterlijk binnen vier weken na de datum van aanvraag en vervolgens telkens uiterlijk na vier weken, bij wijze van voorschot algemene bijstand in de vorm van een renteloze geldlening, zolang het recht op algemene bijstand niet is vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing indien:
a.
de belanghebbende de voor de vaststelling van het recht op algemene bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent;
b.
bij de aanvraag duidelijk is dat geen recht op algemene bijstand bestaat.
2.
De hoogte van het in het eerste lid bedoelde voorschot bedraagt in ieder geval 90% van de hoogte van de algemene bijstand, bedoeld in
artikel 19, tweede lid .
3.
Het college is bevoegd om bij wijze van voorschot bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een renteloze geldlening.
4.
Indien bijstand wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, kan deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende worden verrekend met dit voorschot.
1.
Indien algemene bijstand wordt verleend over een periode, waarover een voorschot is ontvangen met toepassing van
artikel 31, tweede lid, van de Werkloosheidswet ,
artikel 47a, eerste lid, van Ziektewet ,
artikel 67, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ,
artikel 50, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ,
artikel 55, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 47, tweede lid van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten , al dan niet met gelijktijdige toepassing van
artikel 17, eerste lid, van de Toeslagenwet , en dit voorschot door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd, kan deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende tot het bedrag van dit voorschot aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden betaald.
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de gemeente aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tevens de over de te verlenen bijstand verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
1.
Onverminderd
30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in
artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , de verzekerdenadministratie, bedoeld in
artikel 35 van die wet , alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
2.
Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de bijstand.
3.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a.
vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b.
vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2.
Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3.
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:
b.
indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.
Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Artikel 55. Nadere verplichtingen
Naast de verplichtingen die ingevolge
hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, kan het college vanaf de dag van melding als bedoeld in
artikel 44, tweede lid , verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
1.
Het instellen van een verzoek tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor kinderen verschuldigd krachtens
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan door het college als verplichting aan de bijstand worden verbonden, indien de belanghebbende hierop aanspraak heeft.
2.
Indien het college de in het eerste lid genoemde verplichting oplegt, dient de belanghebbende zelf een verzoek terzake in bij een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instelling.
a.
aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat het college in naam van de belanghebbende noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verricht;
b.
de bijstand in natura verstrekken.
1.
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:
a.
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b.
in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c.
voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d.
ingevolge
artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e.
anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f.
anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1°.
de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in
paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;
2°.
bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.
2.
Indien een gemeente ingevolge
artikel 42, derde lid , gehouden is kosten van bijstand over een bepaalde periode aan een andere gemeente te vergoeden, geschiedt de terugvordering over die periode, voorzover zij nog niet heeft plaatsgehad, door het college van eerstgenoemde gemeente.
3.
Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.
4.
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de
Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet , kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.
5.
Terugvordering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
1.
Onverminderd
artikel 58 kunnen kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.
1.
De persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.
2.
Het college kan de kosten van de bijstand, bedoeld in de
artikelen 58 en
59 invorderen bij dwangbevel.
3.
Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de
artikelen 58 en
59 worden teruggevorderd algemene bijstand of een uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de
Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die kosten met die algemene bijstand of uitkering.
5.
Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
Artikel 61. Algemeen
Kosten van bijstand kunnen door het college worden verhaald in de gevallen en naar de regels aangegeven in deze paragraaf.
Artikel 62. Onderhoudsplicht
Kosten van bijstand kunnen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , worden verhaald:
a.
op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt;
b.
op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;
Artikel 62a. Uitkering tot levensonderhoud
Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht, bedoeld in
artikel 159a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of
artikel 62 , en de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.
1.
Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd op grond van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak.
2.
De betaling van het verschuldigde geschiedt binnen 30 dagen na bekendmaking van het besluit tot verhaal overeenkomstig het eerste lid.
3.
Degene op wie wordt verhaald kan binnen de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden tegen het besluit tot verhaal in verzet komen door een verzoekschrift aan de rechtbank. Het verzet kan niet gegrond zijn op de bewering dat de uitkering tot onderhoud ten onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld. Indien tijdig verzet is gedaan wordt de invordering pas voortgezet zodra het verzet is ingetrokken of ongegrond verklaard.
4.
Het college is bevoegd, met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt, het verschuldigde bij dwangbevel in te vorderen.
1.
Indien degene, die bijstand ontvangt of heeft ontvangen en ten aanzien van wie door de rechter een verhaalsbedrag verschuldigd op grond van
artikel 159a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of
artikel 62 is vastgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente en aldaar bijstand ontvangt of heeft ontvangen, gaat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak op het college van de andere gemeente over.
2.
Het college van de vertrekgemeente blijft bevoegd tot tenuitvoerlegging voor zover het gaat om betalingsachterstanden ter zake van verhaal van bijstand die door dat college is verleend.
2.
De toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de wijziging van rechtswege bij rechterlijke uitspraak is uitgesloten.
1.
Het door de rechter vastgestelde verhaalsbedrag kan op verzoek van het college of van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden.
2.
Het college kan aan de rechter verzoeken het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, indien de rechter:
a.
deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in de
artikelen 157 en
401 van dat boek ;
b.
geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.
a.
degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;
b.
de nalatenschap van de persoon indien:
1°.
aan die persoon ten onrechte bijstand is verleend en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden;
2°.
bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht.
1.
Het besluit tot verhaal op grond van deze paragraaf, anders dan met toepassing van
artikel 62b , wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht medegedeeld. Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden gericht tot de langstlevende echtgenoot of een der erfgenamen die geacht kan worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.
2.
Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan het college te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, kan het college overgaan tot verhaal in rechte.
1.
Verzoekschriften met betrekking tot verhaal in rechte op grond van deze paragraaf, alsmede verzoeken tot wijziging van een rechterlijke verhaalsuitspraak, worden ingediend bij de rechtbank.
3.
Het college kan op grond van deze paragraaf in rechte optreden zonder procureur.
1.
Een ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van een persoon te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel voor hem arbeid verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten van een persoon van wie kosten van bijstand ingevolge
paragraaf 4 worden of kunnen worden teruggevorderd of op wie kosten van bijstand ingevolge
paragraaf 5 worden of kunnen worden verhaald.
2.
De opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door het college schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
1.
De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet:
a.
het college van andere gemeenten;
b.
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank;
e.
de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens
artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als inkomen worden aangemerkt;
f.
de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de
Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding;
g.
de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de
Vreemdelingenwet 2000 ;
h.
de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van de
Wet bevordering eigenwoningbezit ;
i.
de Informatie Beheer Groep betreffende de toepassing van de
Wet studiefinanciering 2000 , de
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten , de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de
Wet inburgering ;
j.
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de omvang van de productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de agrarische sector;
k.
Onze Minister van Justitie voorzover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
l.
de instanties en personen die woonruimte verhuren;
m.
de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
n.
derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
o.
de geneesheer-directeur, bedoeld in de
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen .
2.
De geneesheer-directeur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel o, verstrekt slechts opgaven en inlichtingen indien:
b.
deze betrekking hebben op:
3°.
het verleende verlof; of
4°.
het ingetrokken verlof.
3.
Het vragen door het college en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
4.
Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan het college of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
5.
De in het eerste en het vierde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
a.
van wie kosten van bijstand worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge
paragraaf 4 of op wie deze worden of kunnen worden verhaald ingevolge
paragraaf 5 ;
b.
die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
1°.
te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend;
2°.
van wie kosten van bijstand worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge
paragraaf 4 of op wie deze worden of kunnen worden verhaald ingevolge
paragraaf 5 .
6.
De in het eerste lid en het vierde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
7.
De in het eerste lid, onderdeel a tot en met k, genoemde instanties treffen desgevraagd met het college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en inlichtingen.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het derde lid en de inhoud en vormgeving van de in het zevende lid bedoelde regelingen.
9.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer van de in het eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende personen opslaan. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.
10.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het eerste en het vierde lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid tot en met achtste lid, eveneens gelden, voorzover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven.
11.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tiende lid, kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
12.
Onze Minister van Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, aan het college, of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
1.
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
2.
Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing indien:
a.
enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b.
degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c.
de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
3.
Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voorzover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
4.
Degene die op grond van de
artikelen 63 tot en met 68 gegevens verstrekt dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Artikel 66. Vermoeden misdrijf
Het college is verplicht, indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een Nederlands of buitenlands uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten of van een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan, voorzover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.
1.
Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd
artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 , uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde instanties kosteloos de gegevens te verstrekken:
c.
het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de
Wet werk en inkomen kunstenaars ;
e.
derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
f.
buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g.
bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
h.
de Informatie Beheer Groep voor de uitvoering van de
Wet inburgering .
2.
Het verstrekken door het college aan de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
3.
De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor onevenredig wordt geschaad.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen ten behoeve waarvan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, eveneens gelden.
1.
In de administratie van de gemeente en van het Inlichtingenbureau terzake van de uitvoering van deze wet wordt het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de belastingdienst.
2.
Bij de verstrekking van gegevens door het college, het Inlichtingenbureau en de in de
artikelen 64 en
67 bedoelde instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit burgerservicenummer, onderscheidenlijk dit sociaal-fiscaalnummer. Derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen gebruiken het burgerservicenummer, onderscheidenlijk het sociaal-fiscaalnummer, slechts voorzover dat noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid , worden uitgevoerd.
3.
Ten behoeve van het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer bij het ontbreken van het burgerservicenummer kan Onze Minister van Financiën aan personen die algemene bijstand ontvangen, een sociaal-fiscaalnummer toekennen, indien aan die personen nog geen sociaal-fiscaalnummer is toegekend.
1.
Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering voor de kosten van de door het college toegekende:
b.
inkomensvoorziening, bedoeld in de
Wet investeren in jongeren . In de uitkering zijn begrepen de loonbelasting, de premies volksverzekeringen die daarover verschuldigd zijn en de in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet bedoelde vergoedingen van de inkomensafhankelijke bijdragen daarover.
De uitkering wordt ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister vastgesteld.
2.
Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het voor ieder jaar bij begrotingswet vast te stellen totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid. Bij de vaststelling van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, is het uitgangspunt dat dit bedrag toereikend is voor de voor dat jaar geraamde kosten, bedoeld in dat lid, van alle gemeenten.
3.
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kunnen regels worden gesteld omtrent:
a.
de berekening van verschillende delen van de uitkering, bedoeld in het eerste lid;
b.
het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor de berekening van het bedrag van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.
4.
Mede ten behoeve van de kosten van de voorzieningen, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a , niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de
Wet participatiebudget .
2.
Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de uitkering, bedoeld in
artikel 69, eerste lid , wordt aangepast binnen een periode van vier weken na de herziening door Onze Minister vastgesteld.
3.
Bij toepassing van het tweede lid kan Onze Minister vanuit het oogmerk van een meer evenwichtige verdeling van het totale bedrag, bedoeld in
artikel 69, eerste lid , de peildatum van de gegevens noodzakelijk voor de berekening, bedoeld in
artikel 69, tweede lid , actualiseren, leidende tot een nieuwe uitkering per gemeente. Van een actualisatie als bedoeld in de eerste volzin wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat het college, na afloop van de termijn, bedoeld in
artikel 76, derde lid , geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in
artikel 76, derde lid , de uitkering, bedoeld in
artikel 69, eerste lid , voor het jaar volgend op het jaar waarin de termijn afloopt, 1 procent lager vaststellen.
2.
Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat het college, twaalf maanden na afloop van de termijn, bedoeld in
artikel 76, derde lid , nog geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in
artikel 76, derde lid , de uitkering, bedoeld in
artikel 69, eerste lid , voor het tweede jaar volgend op het jaar waarin de termijn afloopt en de daaropvolgende jaren, telkens ten hoogste 3 procent lager vaststellen.
1.
Er is een toetsingscommissie.
2.
De toetsingscommissie heeft tot taak aan Onze Minister een oordeel te geven over een verzoek als bedoeld in
artikel 74, eerste lid .
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
1.
Indien de door het college gemaakte kosten, bedoeld in
artikel 69, eerste lid , hoger zijn dan de daarvoor verstrekte uitkering, kan door Onze Minister ten laste van een daarvoor ieder jaar bij wet vast te stellen bedrag op verzoek van het college een incidentele aanvullende uitkering of een meerjarige aanvullende uitkering worden toegekend.
2.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt door het college ingediend bij de toetsingscommissie, bedoeld in
artikel 73 . Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de termijn waarbinnen een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan worden ingediend en de termijn waarbinnen op dat verzoek wordt beslist.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld onder welke voorwaarden een verzoek kan worden ingediend en op grond waarvan de toetsingscommissie een verzoek beoordeelt.
4.
Bij de beslissing op het verzoek betrekt Onze Minister, naast het oordeel van de toetsingscommissie, het oordeel van de Inspectie Werk en Inkomen over de uitvoering van deze wet.
1.
Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan het besluit tot verlening van een meerjarige aanvullende uitkering als bedoeld in
artikel 74, eerste lid .
2.
Onze Minister kan een verleende meerjarige aanvullende uitkering verminderen of intrekken indien het college in strijd handelt met een wettelijk voorschrift dat betrekking heeft op de meerjarige aanvullende uitkering, of met een voorwaarde die aan het besluit tot verlening van een meerjarige aanvullende uitkering is verbonden.
3.
De meerjarige aanvullende uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in het tweede lid onverschuldigd is betaald wordt door Onze Minister teruggevorderd.
4.
Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, stelt Onze Minister de terugvordering vast op een percentage van de meerjarige aanvullende uitkering.
5.
Onze Minister kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in het derde lid, invorderen bij dwangbevel.
6.
Een oordeel als bedoeld in
artikel 73, tweede lid , dat betrekking heeft op een verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering, wordt gepubliceerd op internet.
b.
het bedrag waarmee de uitkering op grond van
artikel 71 wordt aangepast;
c.
de incidentele aanvullende uitkering en de meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 74 .
1.
Onze Minister houdt toezicht op:
a.
de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door het college;
b.
de doeltreffendheid van deze wet.
3.
Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan het college, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met deze aanwijzing.
2.
Het college dient jaarlijks bij Onze Minister een beeld van de uitvoering in.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering.
1.
Het college en de gemeenteraad verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
2.
Onze Minister stelt een beleidsplan op dat het kader biedt waarbinnen hij de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, vraagt. Over het beleidsplan of een wijziging daarvan overlegt hij met de daartoe door hem aangewezen rechtspersoon die de gemeenten vertegenwoordigt.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het college en de gemeenteraad de in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en verstrekken, waarbij kan worden bepaald dat categorieën van gemeenten bepaalde inlichtingen niet hoeven te verzamelen en te verstrekken.
4.
De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en het beeld van de uitvoering, bedoeld in
artikel 77 , worden kosteloos verstrekt.
1.
Door het college op grond van de
Algemene bijstandswet , de
Wet inschakeling werkzoekenden of het
Besluit in- en doorstroombanen genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
2.
In afwijking van het eerste lid gelden door het college op grond van de
Wet inschakeling werkzoekenden of het
Besluit in- en doorstroombanen ten aanzien van personen die een uitkering ontvangen op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers genomen besluiten als door hem genomen besluiten op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen onderscheidenlijk de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers .
3.
Door het college of Onze Minister op grond van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand genomen besluiten gelden met ingang van de dag van inwerkingtreding van de wet van 29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 586) als door het college of Onze Minister genomen besluiten op grond van deze wet.
1.
Een dienstbetrekking als bedoeld in
artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden , een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van die wet en een dienstbetrekking als bedoeld in
artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen gelden als een voorziening als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a .
1.
Op een bezwaar- of beroepschrift dat:
a.
vóór of op 31 december 2003 is ingediend tegen een door het college op grond van de
Algemene bijstandswet , de
Wet inschakeling werkzoekenden of het
Besluit in- en doorstroombanen genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist;
b.
na 31 december 2003 is ingediend tegen een op grond van de in het eerste lid bedoelde wetten of het
Besluit in- en doorstroombanen met toepassing van
artikel 2, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand , na 31 december 2003 genomen besluit en waarop nog niet onherroepelijk is beslist op het tijdstip dat de bepaling vervalt op grond waarvan het besluit is genomen;
c.
na 31 december 2003 is ingediend en betrekking heeft op bijstandsverlening waarop op grond van
artikel 12, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand de
Algemene bijstandswet van toepassing is;
wordt beslist met toepassing van onderscheidenlijk de
Algemene bijstandswet ,
de Wet inschakeling werkzoekenden of het
Besluit in- en doorstroombanen .
3.
Op een bezwaar- of beroepschrift dat voor of op de dag van inwerkingtreding van de wet van 29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 586) is ingediend tegen een door het college of Onze Minister op grond van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist wordt beslist met toepassing van deze wet.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen dan wel een inkomensvoorziening ontvangen op grond van de
Wet investeren in jongeren en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de
artikelen 9 ,
10 ,
11 ,
13 ,
32 ,
34 ,
40 ,
41 ,
45 ,
58 ,
77 en de
paragrafen 4.2 ,
6.1 en
7.1 .
2.
Indien verlening van algemene bijstand op grond van het eerste lid aan zelfstandigen plaatsvindt zijn, indien het personen jonger dan 27 jaar betreft, de normen, bedoeld in de
artikelen 26 tot en met 33 van de Wet investeren in jongeren van toepassing.
3.
[Wijzigt de Algemene bijstandswet.]
1.
De Sociale verzekeringsbank kan de verlening van bijstand aan een Nederlander die zich in het buitenland bevindt voortzetten ten aanzien van:
b.
degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 1995 bijstand ontving op grond van
artikel 82 van de Algemene Bijstandswet , welke bijstand in die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na die datum opnieuw bijstand aanvraagt.
2.
De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
3.
De artikelen van deze wet zijn niet van toepassing, voor zover de omstandigheden het toelaten, met uitzondering van
hoofdstuk 2 en de
paragrafen 6.1 tot en met 6.5 , met dien verstande dat de Sociale verzekeringsbank in de plaats treedt van het college.
4.
Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het desbetreffende geval niet langer van toepassing.
5.
In de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan de uitvoering van dit artikel wordt voorzien door een rijksbijdrage aan de Sociale verzekeringsbank.
6.
Op de uitgaven, bedoeld in het vijfde lid, komen in mindering de bedragen die door de Sociale verzekeringsbank op grond van deze wet zijn ontvangen door terugvordering.
1.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van
artikel 3, tweede tot en met vijfde lid , en de daarop berustende bepalingen.
2.
Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
1.
In geval het college geen of ontoereikend toepassing heeft gegeven aan
artikel 52 kan de voorzitter van gedeputeerde staten, indien naar zijn oordeel de noodzaak tot onverwijlde bijstand aanwezig is, op verzoek van de belanghebbende besluiten dat het college algemene bijstand verleent.
2.
De beslissing van de voorzitter van gedeputeerde staten vervalt, zodra de beslissing van het college inzake de verlening van algemene bijstand onherroepelijk is geworden dan wel de rechtbank op het beroep heeft beslist. De beslissing vervalt eveneens met ingang van de datum waarop een door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening in werking treedt.
3.
De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt bij wijze van voorschot verleend in de vorm van een renteloze geldlening.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien de spoed dat vereist, regels worden gesteld die noodzakelijk zijn in verband met de goede uitvoering van de wet.
2.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3.
Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking tot de arbeidsinschakeling en de financiering doeltreffender uit te voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 6 tot en met 10 ,
31, tweede lid , en
paragraaf 7.1 . Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld op welke wijze en gedurende welke periode van welke artikelen van de wet wordt afgeweken.
2.
Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste drie jaar. Indien, voor een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het voorstel van wet in werking treedt. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3.
Onze Minister kan op hun verzoek gemeenten aanwijzen die deelnemen aan een experiment. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de toepassing van deze bevoegdheid.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van een experiment en voorzieningen wordengetroffen voor zich gedurende een experiment voordoende onvoorziene gevallen.
5.
Onze Minister zendt uiterlijk drie maanden voor het einde van een experiment aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment. Indien een experiment eerder wordt beëindigd dan oorspronkelijk beoogd, zendt Onze Minister, in afwijking van de eerste volzin, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag als bedoeld in de eerste volzin aan de Staten-Generaal.
6.
De voordracht voor krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregelen van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 84. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 85. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. In het koninklijk besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet .
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 oktober 2003
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de tiende oktober 2003
De Minister van Justitie,