Wet op het financieel toezicht
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ 1. Algemeen deel
- 2. Deel Markttoegang Financiële Ondernemingen
+ 3. Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen
+ 4. Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
+ 5. Deel Gedragstoezicht financiële markten
6. Deel Toezicht infrastructuur financiële markten
+ 7. Deel Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Snel een vertaling nodig?
Bent u opzoek naar een beëdigde vertaling? Wilt u een contract, brief of een zakelijk document laten vertalen door een professionele vertaler? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact met ons op.
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Artikel 2:68 Wet op het financieel toezicht

1.
De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, aanhef en onderdeel b , indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot de beleggingsmaatschappij en, indien van toepassing, de daaraan verbonden bewaarder zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:9, eerste lid , met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
c. artikel 4:11, eerste en derde lid , met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
e. artikel 4:14, eerste en tweede lid , met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
f. artikel 4:39 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en artikel 4:40 met betrekking tot de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
g. artikel 4:43 met betrekking tot de tussen de beleggingsmaatschappij en de bewaarder te sluiten overeenkomst;
h. artikel 4:44, eerste lid , met betrekking tot de rechtsvorm en statutaire doelomschrijving van de bewaarder;
i. artikel 4:48 met betrekking tot het in dat artikel bedoelde registratiedocument;
j. artikel 3:53, eerste en derde lid , met betrekking tot het minimum eigen vermogen; en
k. artikel 3:63, eerste en tweede lid , met betrekking tot de liquiditeit.
2.
Een aanvrager van een vergunning als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van een instelling voor collectieve belegging in effecten toont in aanvulling op het eerste lid tevens aan dat met betrekking tot de beleggingsmaatschappij en, indien van toepassing, de daaraan verbonden bewaarder zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:43 met betrekking tot de tussen de beleggingsmaatschappij en de bewaarder te sluiten overeenkomst;
b. artikel 4:56 met betrekking tot het bewaren van de activa door een bewaarder;
c. artikel 4:57 met betrekking tot de zetel van de bewaarder;
d. artikel 4:60, eerste lid , met betrekking tot het statutaire doel van de beleggingsmaatschappij;
e. artikel 4:60, tweede lid , met betrekking tot het zonder beperkingen in Nederland aanbieden van de rechten van deelneming en de inkoop of terugbetaling daarvan op verzoek van een deelnemer;
f. artikel 4:60, derde lid , met betrekking tot de zetel van de beleggingsmaatschappij;
g. artikel 4:60, vierde lid , met betrekking tot de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij;
h. artikel 3:53, eerste en derde lid , met betrekking tot het minimum eigen vermogen; en
i. artikel 3:63, eerste en tweede lid , met betrekking tot de liquiditeit.
3.
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
4.
De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11 , e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:14 , j of k, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.