Besluit van 20 december 2001 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en in verband daarmee van enige andere socialezekerheidswetten (Besluit SUWI)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 19 oktober 2001, Nr SUWI/SEC/2001/71128;
Gelet op de artikelen 13, vijfde lid, 25, eerste lid, onderdeel d, 28, derde lid, en 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de artikelen 125, derde lid, en 145, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, de artikelen 48, derde lid, en 64, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de artikelen 48, derde lid, en 64, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de artikelen 8, zevende lid, 10, vijfde lid, 14, tweede lid, 15, tweede lid, en 33a, vierde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, artikel 72, vijfde lid, van de Werkloosheidswet en artikel 8, vijfde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden;
De Raad van State gehoord (advies van 12 december 2001, nr. W12.01.0543/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 13 december 2001, nr. SUWI/SEC/2001/366;
Hebben goedgevonden en verstaan:
a.
WWB:
Wet werk en bijstand ;
b.
IOAW:
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ;
c.
IOAZ:
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ;
d.
WWIK:
Wet werk en inkomen kunstenaars ;
e.
Wet REA:
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten ;
f.
WW:
Werkloosheidswet ;
g.
Wet SUWI:
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ;
k.
arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet ;
m.
Wfsv:
Wet financiering sociale verzekeringen ;
n.
Wet WIA:
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ;
o.
WAO:
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
q.
ZVW:
Zorgverzekeringswet ;
s.
zorgautoriteit: de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de
Wet marktordening gezondheidszorg ;
u.
gebruikers: het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders;
w.
WIJ:
Wet investeren in jongeren .
1.
Onze Minister kan een besluit van het UWV of de SVB om andere werkzaamheden dan de in de
Wet SUWI bedoelde taken uit te voeren uitsluitend goedkeuren, indien:
a.
de goede uitvoering van de in die wet bedoelde taken daardoor niet in gevaar komt;
b.
de andere werkzaamheden in opdracht en voor rekening en risico van de opdrachtgever worden uitgevoerd;
c.
de taakuitoefening van de Inspectie Werk en Inkomen met betrekking tot het toezicht op de uitvoering van de wetten door het UWV en de SVB, bedoeld in
artikel 37, onderdeel a, van de Wet SUWI voldoende gewaarborgd is;
d.
de
Wet op het financieel toezicht in acht wordt genomen voor zover deze van toepassing is;
e.
de uitvoering van die andere werkzaamheden gescheiden van de uitvoering van de wettelijke taken plaatsvindt, voor zover de andere werkzaamheid niet noodzaakt tot een gezamenlijke uitvoering.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de berekening van de prijzen die voor het verrichten van andere werkzaamheden in rekening worden gebracht.
a.
voorkoming van uitkeringsinstroom, bij het UWV;
b.
juiste en tijdige uitkeringsverstrekking, bij het UWV en de SVB;
c.
bevordering uitstroom in relatie tot bemiddeling en re-integratie, bij het UWV;
d.
klantgerichtheid, bij het UWV en de SVB;
e.
efficiency, bij het UWV en de SVB;
f.
ketenprestaties, bij het UWV en colleges van burgemeester en wethouders.
1.
Het UWV registreert op diens verzoek als werkzoekende:
1°.
voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of
2.
De registratie eindigt voor een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zodra:
a.
onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of
b.
de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de
Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
1.
Bij de toepassing van
artikel 30a, achtste lid, van de Wet SUWI laat het UWV de werkzaamheden verrichten op grond van een schriftelijke overeenkomst waarin in elk geval is geregeld, dat het re-integratiebedrijf verplicht is:
a.
alle gegevens en inlichtingen omtrent deze werkzaamheden op verzoek aan het UWV te verstrekken, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de in de aanhef genoemde wetten;
b.
de persoonlijke levenssfeer van de personen van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, te beschermen overeenkomstig een reglement dat aan die personen en het UWV wordt overgelegd;
c.
in geval van een geschil tussen de te re-integreren persoon en het re-integratiebedrijf een klachten- en geschillenregeling toe te passen die door het re-integratiebedrijf aan de te re-integreren persoon en de partij met wie de in de aanhef bedoelde overeenkomst is gesloten, is overgelegd;
e.
op verzoek aan het UWV een schriftelijk oordeel van een accountant of een gelijkwaardige deskundige over de verwerking van informatie en de genomen maatregelen ter beveiliging van informatie door het re-integratiebedrijf over te leggen;
f.
de gegevens die het re-integratiebedrijf in verband met deze werkzaamheden verkrijgt uitsluitend te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van die werkzaamheden dan wel voor de naleving van verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
g.
indien dit re-integratiebedrijf deze werkzaamheden laat verrichten door een ander re-integratiebedrijf in een schriftelijke overeenkomst met dat andere re-integratiebedrijf te regelen dat voor dat bedrijf, die persoon of dienst de verplichtingen jegens het UWV, bedoeld in de onderdelen a tot en met f, gelden.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
3.
Indien het college van burgemeester en wethouders werkzaamheden, die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in de
artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, van de WWB,
5, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van de WIJ,
34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAW,
artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAZ en
artikel 21, eerste lid, van de WWIK, worden uitgevoerd, laat uitvoeren door een re-integratiebedrijf is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, waarbij in de overeenkomst tevens is geregeld, dat het college op verzoek of uit eigen beweging in kennis worden gesteld van het gegronde vermoeden dat een persoon voor wie de voorzieningen zijn bestemd, onvoldoende medewerking verleent aan deze werkzaamheden, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van genoemde wetten.
2.
Het UWV bepaalt het ten hoogste aan het re-integratiebedrijf verschuldigde bedrag voor de uitvoering van de individuele re-integratieovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, en het tijdvak waarvoor de individuele re-integratieovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gesloten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de voorwaarden waaronder door het UWV een individuele re-integratieovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, kan worden gesloten en omtrent de inhoud van de individuele re-integratieovereenkomst, bedoeld in het eerste lid.
1.
De overheidswerkgever kan ten behoeve van de werknemer, bedoeld in
artikel 72a, van de WW, op diens aanvraag een individuele re-integratieovereenkomst sluiten met een re-integratiebedrijf, overeenkomstig de voorkeur van de aanvrager, ter uitvoering van werkzaamheden die zijn gericht op de inschakeling in het arbeidsproces.
2.
De overheidswerkgever bepaalt het ten hoogste aan het re-integratiebedrijf verschuldigde bedrag voor de uitvoering van de individuele re-integratieovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, en het tijdvak waarvoor de individuele re-integratieovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gesloten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de voorwaarden waaronder door de overheidswerkgever een individuele re-integratieovereenkomst als bedoeld in het eerste lid kan worden gesloten en omtrent de inhoud van de individuele re-integratieovereenkomst, bedoeld in het eerste lid.
1.
In geval van een toekennende beschikking op een aanvraag als bedoeld in
artikel 4.2, eerste lid, sluit het UWV binnen zes weken na het nemen van die beschikking een overeenkomst met een re-integratiebedrijf dat de in artikel
4.2, eerste lid, bedoelde werkzaamheden uitvoert.
2.
De persoon ten behoeve van wie een individuele re-integratieovereenkomst als bedoeld in
artikel 4.2, eerste lid, wordt gesloten tekent een exemplaar van die overeenkomst voor gezien en verstrekt dit aan het UWV.
3.
In geval van een toekennende beschikking op een aanvraag als bedoeld in
artikel 4.2a, eerste lid, sluit de overheidswerkgever binnen zes weken na het nemen van die beschikking een overeenkomst met een re-integratiebedrijf dat de in
artikel 4.2a, eerste lid, bedoelde werkzaamheden uitvoert.
4.
De persoon ten behoeve van wie een individuele re-integratieovereenkomst als bedoeld in
artikel 4.2a wordt gesloten tekent een exemplaar van die overeenkomst voor gezien en verstrekt dit aan de overheidswerkgever.
f.
Wet IWIA:
Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen .
1.
Het UWV kan op een aanvraag als bedoeld in
artikel 2.7a van de Wet IWIA een subsidie verstrekken ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, waaronder begrepen het behouden en verkrijgen van een dienstbetrekking, of een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst sluiten ter uitvoering van die werkzaamheden.
2.
Onder werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:
a.
begeleiding en advisering;
c.
arbeidsbemiddeling en andere werkzaamheden die, in aansluiting op de onder a en b bedoelde werkzaamheden, zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.
3.
Kosten van werkzaamheden die niet zijn beschreven in het in
artikel 4.10, onderdeel b, bedoelde trajectplan komen niet voor subsidiëring in aanmerking en ter uitvoering van die werkzaamheden wordt geen persoonsgebonden re-integratieovereenkomst gesloten, tenzij het UWV voor het verrichten van die werkzaamheden schriftelijk goedkeuring heeft verleend.
a.
de aanvraag wordt ingediend binnen zes weken nadat het oordeel van het UWV omtrent de aanwezigheid van passende arbeid in het bedrijf van zijn werkgever of in een ander bedrijf, als bedoeld in
artikel 2.7a, tweede lid, van de Wet IWIA, aan de arbeidsgehandicapte werknemer bekend is gemaakt;
b.
de aanvraag vergezeld gaat van een door of namens de werknemer opgesteld trajectplan waarin in elk geval zijn opgenomen:
1°.
het opleidingsniveau en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de arbeidsgehandicapte werknemer;
4°.
de beroepsactiviteiten die de aanvrager naar verwachting na afloop van die periode kan vervullen;
5°.
een begroting van de kosten van de in
artikel 4.8 bedoelde werkzaamheden.
1.
De werkgever vergoedt aan het UWV 50 procent van de kosten die door het re-integratiebedrijf aan het UWV in rekening worden gebracht voor het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst, tenzij de arbeidsgehandicapte werknemer binnen drie maanden nadat de werkzaamheden ter uitvoering van de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst zijn geëindigd een dienstbetrekking met een andere werkgever is aangegaan en deze arbeidsgehandicapte werknemer voor een aaneengesloten periode van ten minste 26 weken daadwerkelijk in dienstbetrekking met deze andere werkgever heeft gestaan of met die arbeid in een periode van één jaar ten minste gedurende 26 weken inkomsten heeft verworven waardoor hij geen recht meer heeft op een uitkering anders dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het verwerven van die inkomsten of verrichten van die arbeid.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de werknemer voor het verrichten van de werkzaamheden een subsidie als bedoeld in deze paragraaf heeft ontvangen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
1.
Op de aanvraag om een subsidie wordt een beschikking omtrent subsidieverlening gegeven.
2.
In de subsidievoorwaarden bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval opgenomen dat in een overeenkomst die de subsidie-ontvanger met een re-integratiebedrijf sluit wordt geregeld:
a.
de duur van de overeenkomst alsmede de hoogte van de kosten die door het re-integratiebedrijf in rekening zullen worden gebracht;
b.
dat de overeenkomst door beide partijen wegens gewichtige redenen tussentijds door opzegging kan worden beëindigd;
c.
dat het re-integratiebedrijf verplicht is:
2º.
de persoonlijke levenssfeer van de personen van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, te beschermen overeenkomstig een reglement dat aan die personen en de werkgever wordt overgelegd;
3º.
in geval van een geschil tussen de te re-integreren persoon en het re-integratiebedrijf een klachten- en geschillenregeling toe te passen die door het re-integratiebedrijf aan de te re-integreren persoon en de werkgever is overgelegd;
4º.
op verzoek aan de werkgever een schriftelijk oordeel van een accountant of een gelijkwaardige deskundige over de verwerking van informatie en de genomen maatregelen ter beveiliging van informatie door het re-integratiebedrijf over te leggen;
5º.
de gegevens die het re-integratiebedrijf in verband met deze werkzaamheden verkrijgt uitsluitend te verwerken voorzover dat noodzakelijk is voor het verrichten van die activiteiten of werkzaamheden dan wel voor de naleving van verplichtingen als bedoeld in de subonderdelen 1° tot en met 4°;
6º.
indien dit re-integratiebedrijf deze werkzaamheden laat verrichten door een ander re-integratiebedrijf, in een schriftelijke overeenkomst met dat andere re-integratiebedrijf te regelen dat voor dat bedrijf de verplichtingen, bedoeld in de subonderdelen 1° tot en met 6°, gelden;
d.
dat het re-integratiebedrijf aan het UWV op verzoek of na toestemming van de subsidie-ontvanger uit eigen beweging gegevens verstrekt over de besteding van de subsidie.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tweede lid.
1.
De subsidie bedraagt ten hoogste een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag.
2.
De subsidie wordt verleend voor werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.8 gedurende een tijdvak van ten hoogste een jaar.
3.
Indien de aanvrager van een subsidie of de subsidie-ontvanger aantoont dat de noodzakelijke kosten van de werkzaamheden die zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid hoger zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag of die werkzaamheden langer zullen duren dan een tijdvak van een jaar, kan subsidie worden verleend voor een hoger bedrag of een langere periode.
4.
De in het derde lid bedoelde bevoegdheid bestaat uitsluitend indien het in het eerste lid bedoelde bedrag of de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden gedurende een tijdvak van een jaar redelijkerwijs niet zullen kunnen leiden tot behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.
1.
Het UWV kan aan de subsidie-ontvanger voorschotten op de vast te stellen subsidie verlenen aan de hand van aan het UWV overgelegde declaraties voor de werkzaamheden, die voortvloeien uit het trajectplan.
2.
Indien het UWV besluit tot het verlenen van voorschotten, betaalt het UWV de voorschotten binnen één week na het nemen van dat besluit aan de subsidie-ontvanger of aan het re-integratiebedrijf, waarmee de subsidie-ontvanger een overeenkomst heeft gesloten.
1.
De subsidie-ontvanger dient iedere drie maanden bij het UWV een rapportage in waarin een beschrijving is opgenomen van de ten behoeve van de subsidie-ontvanger verrichte werkzaamheden, bedoeld in
artikel 4.8. In de rapportage worden in ieder geval de resultaten van de uitvoering van het trajectplan en de prognose voor de resterende periode van het traject beschreven en wordt een overzicht gegeven van de tot op dat moment gemaakte kosten.
2.
De subsidie-ontvanger verstrekt onverwijld en uit eigen beweging alle gegevens en inlichtingen omtrent voortijdige beëindiging van gesubsidieerde trajecten aan het UWV.
3.
De subsidie-ontvanger verstrekt op verzoek aan het UWV alle gegevens en inlichtingen die van belang zijn voor de vaststelling van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van
artikel 2.7a van de Wet IWIA, alsmede binnen vier weken alle hem betreffende informatie die noodzakelijk is voor de evaluatie van deze regeling.
Artikel 4.16. Subsidievaststelling
De subsidie-ontvanger dient binnen zes weken na afloop van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
1.
In geval van een toekennende beschikking op een aanvraag om een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst, sluit het UWV binnen zes weken na het nemen van die beschikking een overeenkomst met een re-integratiebedrijf dat de in
artikel 4.8 bedoelde werkzaamheden uitvoert.
2.
Het UWV sluit een overeenkomst met een re-integratiebedrijf als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig de voorkeur voor een re-integratiebedrijf van de aanvrager of begunstigde.
1.
Het door het UWV aan het re-integratiebedrijf verschuldigde bedrag voor de uitvoering van de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst bedraagt ten hoogste een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag.
2.
De persoonsgebonden re-integratieovereenkomst wordt gesloten voor een tijdvak van ten hoogste een jaar.
3.
Indien de aanvrager van een persoonsgebonden re-integratieovereenkomst of begunstigde aantoont dat de noodzakelijke kosten van de in
artikel 4.8 bedoelde werkzaamheden hoger zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag of die werkzaamheden langer zullen duren dan een tijdvak van een jaar, kan een overeenkomst worden gesloten voor een hoger bedrag of een langere periode.
4.
De in het derde lid bedoelde bevoegdheid bestaat uitsluitend indien het in het eerste lid bedoelde bedrag of de in het derde lid bedoelde werkzaamheden gedurende een tijdvak van een jaar redelijkerwijs niet zullen kunnen leiden tot behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.
1.
In de persoonsgebonden re-integratieovereenkomst wordt in elk geval geregeld:
a.
de duur van de overeenkomst alsmede de hoogte van de kosten die door het re-integratiebedrijf in rekening zullen worden gebracht;
b.
dat het re-integratiebedrijf iedere drie maanden bij het UWV een rapportage indient waarin een beschrijving is opgenomen van de werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van het behoud, herstel of bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de arbeidsgehandicapte werknemer. In de rapportage worden tevens de resultaten van de uitvoering van het trajectplan, bedoeld in
artikel 4.10, onderdeel b, en de prognose voor de resterende periode van het traject beschreven en wordt een overzicht gegeven van de tot op dat moment gemaakte kosten;
c.
dat de overeenkomst door beide partijen wegens gewichtige redenen tussentijds door opzegging kan worden beëindigd;
d.
dat de prijs voor de overeenkomst uitsluitend wordt betaald voor die werkzaamheden, die zijn beschreven in het in
artikel 4.10, onderdeel b, bedoelde trajectplan, tenzij het UWV voor het verrichten van andere werkzaamheden schriftelijk goedkeuring heeft verleend;
f.
dat het re-integratiebedrijf aan het UWV op verzoek of na toestemming van de subsidie-ontvanger uit eigen beweging gegevens verstrekt over de uitvoering van de overeenkomst.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
1.
In de polisadministratie worden van de werknemer of de persoon die vrijwillig verzekerd is voor de
ZW , de
Wet WIA , de
WW en de
WAO de volgende gegevens verwerkt:
a.
adresgegevens : straatnaam, huisnummer, huisnummertoevoeging, postcode, woonplaats, gemeentenaam, woonobjectverwijzing en locatieomschrijving;
b.
postbusadresgegevens : postbusnummer, postcode, woonplaats, gemeentenaam en locatieomschrijving;
c.
buitenlandse adresgegevens : straatnaam, huisnummer, huisnummertoevoeging, postcode, woonplaats, locatieomschrijving, regionaam en landcode ISO;
d.
sociaal verzekeringsnummer buitenland : verzekeringsnummer en landcode ISO;
e.
persoonsgegevens : namen, burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaalnummer, het administratienummer, bedoeld in de
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (A-nummer), geboortedatum, overlijdensdatum, geslacht, burgerlijke staat, leefvorm, nationaliteit, verblijfstitel, datum vertrek uit Nederland, indicatie curatelestelling en indicatie voor informatiebeveiliging;
f.
ontheffing wegens gemoedsbezwaren ;
g.
verzekeringsplicht werknemersverzekeringen : gegevens inzake de vaststelling verzekeringsplicht, indicaties verzekerd en premies voor de werknemersverzekeringen;
h.
gegevens over de werkgever in de zin van de Wfsv en de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 : naam en loonheffingennummer;
i.
gegevens over de inkomstenverhouding : personeelsnummer, soort inkomstenverhouding, collectieve arbeidsovereenkomst, risicopremiegroep, sector, datum begin en einde van inkomstenverhouding, reden einde inkomstenverhouding en code invloed verzekeringsplicht;
j.
loongerelateerde gegevens : lonen, aantal SV-dagen, aantal verloonde uren, ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in
artikel 41 van de ZVW, verzekeringssituatie
ZVW , andere gegevens van belang voor de heffing van inkomstenbelasting en toegepaste kortingen.
2.
In aanvulling op het eerste lid kunnen tevens bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen gegevens worden verwerkt die afkomstig zijn van een werkgever in de zin van de
Wfsv .
1.
In
bijlage I bij dit besluit wordt voor de polisadministratie een overzicht gegeven van de opgenomen gegevens, voor welk doel die gegevens worden verwerkt en hoe die gegevens worden verkregen.
2.
Bijlage I kan bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, en na overleg met het Centraal bureau voor de statistiek, worden gewijzigd, voorzover deze wijziging geen wijziging tot gevolg heeft van de lijst van gegevens in
artikel 5.1.
1.
In
bijlage II bij dit besluit wordt vermeld welke soort gegevens op grond van de
artikelen 33a, tweede lid, en
35, vijfde lid, van de Wet SUWI,
14, eerste lid, van de IOAW,
14, eerste lid, van de IOAZ,
46, eerste lid, van de WIJ en
53a, eerste lid, van de WWB niet van de belanghebbende worden verkregen en uit welke bron deze gegevens afkomstig zijn.
3.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald, dat tot een in die regeling genoemd tijdstip bepaalde onderdelen van
bijlage II voor bepaalde bestuursorganen met betrekking tot bepaalde taken niet van toepassing zijn.
4.
Bij regeling van Onze Minister, voor zover het gegevens betreft die afkomstig zijn van de rijksbelastingdienst in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, wordt nader bepaald voor welke gegevens het eerste lid van toepassing is.
1.
Indien een betrokkene op wie de gegevens betrekking hebben bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in
artikel 30c, eerste lid, van de Wet SUWI dan wel een aanvraag voor een uitkering als bedoeld in
artikel 30, eerste lid, van de Wet SUWI, op grond van de informatie, bedoeld in
artikel 5.2a, tweede lid, vaststelt, dat de gegevens niet juist of niet volledig zijn, kan hij het UWV dan wel het desbetreffende college van burgemeester en wethouders verzoeken bij de uitvoering van taken en werkzaamheden in de locaties werk en inkomen als bedoeld in
artikel 62, derde lid, van de Wet SUWI zorg te dragen voor verbetering, aanvulling of verwijdering van deze gegevens.
2.
Indien het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders voor de verwerking van die gegevens geen verantwoordelijke in de zin van de
Wet bescherming persoonsgegevens zijn, wordt het verzoek onverwijld gezonden naar de verantwoordelijk in de zin van de
Wet bescherming persoonsgegevens om dit aan te merken als een verzoek als bedoeld in
artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens of een daarmee op grond van de toepasselijke wetgeving gelijk te stellen verzoek.
3.
Bij het desbetreffende gegeven wordt aangetekend, dat het gegeven in onderzoek is.
Artikel 5.4. Gegevensverstrekking aan de Arbeidsinspectie
Het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administraties voor de taken, bedoeld in
artikel 62, eerste lid, van de Wet SUWI kosteloos aan de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, die zijn belast met het toezicht op de naleving van de
Wet arbeid vreemdelingen , de
Arbeidsomstandighedenwet , de
Arbeidstijdenwet , de
Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs , de
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag , de
Wet op de loonvorming en de
Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving en de uitvoering van die wetten.
1.
Voor het verstrekken van gegevens en inlichtingen als bedoeld in
artikel 72 van de Wet SUWI en
artikel 5.4, aan de ambtenaren, bedoeld in
artikel 5.4 en de opsporingsambtenaren, bedoeld in
artikel 85, tweede lid, van de Wet SUWI, maken het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders gebruik van elektronische voorzieningen als bedoeld in
paragraaf 5.6, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de in
artikel 5.4 genoemde wetten, respectievelijk voor de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij de
Wet SUWI of enig andere wet.
2.
Voor het verstrekken van gegevens als bedoeld in
artikel 73, zesde lid, van de Wet SUWI aan het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders, maken de ambtenaren en opsporingsambtenaren gebruik van elektronische voorzieningen als bedoeld in
paragraaf 5.6.
Artikel 5.6. Gegevensverstrekking aan buitenlandse bestuursorganen
Het UWV en de SVB zijn bevoegd uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administraties gegevens te verstrekken aan buitenlandse bestuursorganen, voorzover die gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang waartoe in ieder geval gerekend wordt het verstrekken en vaststellen van uitkeringen en het heffen en innen van premies en bijdragen daarvoor.
a.
aan de rijksbelastingdienst de gegevens die noodzakelijk zijn voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, van premies sociale verzekeringen als bedoeld in
artikel 2, onderdelen a en c, van de Wfsv en van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in de
ZVW ;
b.
aan het College zorgverzekeringen, de zorgautoriteit, zorgverzekeraars als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, het centraal administratiekantoor, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering en de verbindingskantoren, bedoeld in
artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering de gegevens voorzover die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
ZVW en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
c.
aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bij of krachtens een onderwijswet aan hen opgedragen taken, alsmede aan Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
Wet inburgering ;
d.
aan de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in
artikel 2 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 , de
Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers , de
Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet , de
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en de
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 ;
e.
aan de raden voor de kinderbescherming de gegevens die noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van hun taak of van hun bevoegdheden op grond van één van de bepalingen van de
titels 9 ,
10,
13,
14,
15 en
17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
Artikel 5.8. Gegevensverstrekking door de SVB
De SVB is bevoegd op verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administratie kosteloos aan de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
Wet houdende vaststelling regeling ten aanzien van de Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioenaangelegenheden gewezen overheidspersoneel van Indonesië en overeenkomstige wet- en regelgeving.
1.
Het UWV is bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties kosteloos te verstrekken:
a.
aan het vervangingsfonds, bedoeld in
artikel 1 van het Besluit vervangingsfonds, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak op grond van de
Wet op het primair onderwijs , de
Wet op het voortgezet onderwijs en de
Wet op de expertisecentra ;
b.
aan het participatiefonds, bedoeld in
artikel 1 van het Besluit participatiefonds, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak op grond van de
Wet op het primair onderwijs , de
Wet op het voortgezet onderwijs en de
Wet op de expertisecentra ;
c.
aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de gegevens die noodzakelijk zijn voor de bekostiging van onderwijsinstellingen;
d.
aan de Sociaal Economische Raad de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bij of krachtens enige wet aan die Raad opgedragen taken;
g.
aan colleges van burgemeester en wethouders de gegevens die noodzakelijk zijn voor het verlenen van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, bedoeld in
artikel 255 van de Gemeentewet;
2.
Het UWV is bij de verwerking van gegevens voor de uitvoering van de taak, die krachtens de
Wet arbeid vreemdelingen aan het UWV is opgedragen, bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek aan colleges van burgemeester en wethouders gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn in verband met de taken die voortvloeien uit de
Huisvestingswet en de
Woningwet .
3.
Het UWV is verplicht op verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties kosteloos te verstrekken aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen een schuldenaar executoriaal beslag onder derden te leggen de gegevens die ten behoeve van het leggen van dit beslag noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de identiteit van degene die periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht.
a.
persoonsgegevens van de werknemer : adresgegevens, namen, burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaalnummer, geboortedatum en geslacht;
b.
verzekeringsplicht werknemersverzekeringen : indicatie verzekerd en premies voor de werknemersverzekeringen;
c.
gegevens over de inkomstenverhouding : soort inkomstenverhouding, aard arbeidsverhouding, datum begin en einde van inkomstenverhouding, risicopremiegroep, sector, contract (on)bepaalde tijd, fase indeling Flexibiliteit en Zekerheid, collectieve arbeidsovereenkomst, reden einde dienstbetrekking van een flexwerker;
d.
loongerelateerde gegevens : aantal SV-dagen, aantal verloonde uren, loon SV, (opgebouwd recht) vakantiebijslag, indicatie aanvulling op uitkering, indicatie vakantiebonnen toegepast;
e.
gegevens over de werkgever : naam, loonheffingennummer, fi-nummer, rechtsvorm, risicopremiegroep, sector, voortzettingsrelatie, datum oprichting, datum ontbinding, statutaire zetel, eigenrisicodragerschap, premiepercentage individueel, faillissement of surseance en gemoedsbezwaardheid.
2.
De in artikel 73a, tweede lid, van de
Wet SUWI bedoelde derden zijn: deskundigen en instellingen die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf taken uitvoeren of diensten verrichten ter ondersteuning van administraties of het verrichten van keuringen.
3.
Bij het verstrekken van gegevens op grond van dit artikel worden kosten in rekening gebracht. Bij ministeriële regeling worden hiervoor nadere regels gesteld.
1.
Het UWV is bevoegd uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties op verzoek van een werkgever als bedoeld in
artikel 73, tweede lid, onderdeel a, van de Wet SUWI, aan die werkgever in verband met het aangaan van overeenkomsten tot verzekering van de risico’s van het eigenrisicodrager zijn of van betaling van premie als bedoeld in
hoofdstuk 3, afdeling 5, van de Wfsv kosteloos gegevens, mede afkomstig van de rijksbelastingdienst, te verstrekken op grond waarvan die werkgever kan bepalen:
b.
de ontwikkeling van het totale bedrag aan loon in de zin van
artikel 16 van de Wfsv per jaar over de periode van vijf jaar voorafgaande aan het verzoek;
c.
het aantal werknemers naar leeftijd en geslacht in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het verzoek;
d.
het arbeidsverleden van de werknemers die ten tijde van het verzoek bij de werkgever in dienst zijn, zoals dit in de arbeidsverledenbeschikking, bedoeld in
artikel 83i van de Wet SUWI wordt vermeld of zou worden vermeld,
voorzover die werkgever dat niet op basis van gegevens in zijn loonadministratie kan bepalen.
2.
Het UWV is bevoegd op verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties aan een financiële onderneming als bedoeld in
artikel 73, tweede lid, onderdeel b, van de Wet SUWI in verband met de uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in dat artikelonderdeel van de werknemer kosteloos gegevens als bedoeld in
artikel 5.12, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, afkomstig van de rijksbelastingdienst, te verstrekken of van de werknemer die een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een WGA-uitkering op grond van de
WAO of de
Wet WIA ontvangt te verstrekken: het dagloon, dat aan de uitkering ten grondslag ligt, de mate van arbeidsongeschiktheid uitgedrukt in het arbeidsongeschiktheidspercentage en de duur van de uitkering.
a.
aantallen nieuwe uitkeringen op grond van de
WAO of de
Wet WIA per jaar, beëindigde uitkeringen op grond van de
WAO of de
Wet WIA per jaar en lopende uitkeringen in een jaar, naar geslacht, leeftijd, sector als bedoeld in
artikel 95 van de Wfsv, en bedrijfsgrootte, dagloon, naar ingangdatum respectievelijk datum beëindiging uitkering, arbeidsongeschiktheidspercentages, diagnose, soort inkomstenverhouding en combinatie met inkomsten uit arbeid;
2.
De in het eerste lid bedoelde gegevens, niet zijnde persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens, kunnen door de SVB en het UWV systematisch worden verstrekt aan de derden, genoemd in
artikel 73, eerste lid, indien met de desbetreffende derden overeenstemming is bereikt over de te verstrekken gegevens, de omstandigheden waaronder, de regelmaat waarmee en de wijze waarop die verstrekking plaatsvindt, vast te leggen in een besluit, dat op adequate wijze wordt bekendgemaakt.
3.
De bevoegdheid op grond van het eerste lid geldt ook voor het UWV voor het verstrekken van andere gegevens dan bedoeld in
artikel 5.12, die door het UWV worden verwerkt op grond van
artikel 33a van de Wet SUWI.
4.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens op grond van het derde lid worden verstrekt.
5.
Bij het verstrekken van gegevens op grond van dit artikel worden kosten in rekening gebracht. Bij ministeriële regeling worden hiervoor nadere regels gesteld.
Artikel 5.16. Gegevensverstrekking door eigenrisicodragers aan gemeenten
Eigenrisicodragers, die het risico dragen van de betaling van uitkeringen aan personen, ten aanzien van wie op grond van
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB of op grond van
artikel 11, eerste lid, van de WIJ een verantwoordelijkheid bestaat, verstrekken op verzoek aan colleges van burgemeester en wethouders opgaven en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB of voor de uitvoering van
artikel 11, eerste lid, van de WIJ ten aanzien van die personen.
2.
Het UWV verstrekt uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties aan het participatiefonds, bedoeld in
artikel 1 van het Besluit participatiefonds, kosteloos de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van het participatiefonds waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, voorzover die taak samenhangt met de uitvoering van
artikel 72a van de WW.
3.
Een overheidswerkgever of het participatiefonds, bedoeld in het tweede lid, kan het UWV op verzoek of uit eigen beweging kennis geven van het gegronde vermoeden dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, onvoldoende medewerking verleent aan deze werkzaamheden, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de
WW door het UWV.
1.
De gegevens die het UWV op grond van
artikel 73, negende lid, bevoegd is te verstrekken betreffen gegevens omtrent naam, adres, telefoonnummer, postcode, woonplaats, opleiding en werkervaring.
a.
om de gebruikers en derde partijen te faciliteren bij de raadpleging en aanlevering van de gegevens met het oog op eenmalige gegevensuitvraag en de inrichting van hun administraties daarbij;
b.
voor eenduidige informatieverstrekking aan de betrokkene op wie de gegevens betrekking hebben door gebruikers.
a.
dat gegevens met behulp van de elektronische voorzieningen worden uitgewisseld;
b.
welke soort gegevens en documenten het daarbij betreft;
c.
wie de verantwoordelijke is in de zin van de
Wet bescherming persoonsgegevens ;
d.
welke gegevens aan de betrokkene op wie de gegevens betrekking hebben worden gepresenteerd en op welke wijze.
1.
Het UWV voert ten behoeve van de gezamenlijke zorg voor de instandhouding van de elektronische voorzieningen de volgende beheertaken uit:
a.
de inrichting van een centrale elektronische voorziening;
b.
de inrichting van een gemeenschappelijke faciliteit voor de toegangsbeveiliging;
c.
de ondersteuning van de gebruikers bij het beheer en gebruik van de centrale elektronische voorzieningen;
d.
het, na overleg met de gebruikers, doen van voorstellen aan Onze Minister over de wijziging van de ministeriële regelingen op grond van deze paragraaf.
2.
Het UWV belast een afzonderlijk en herkenbaar organisatieonderdeel met de taken, bedoeld in het eerste lid.
3.
De gebruikers zorgen, ten behoeve van het beheer en gebruik van onderdelen van de elektronische voorzieningen, voor de inrichting van een decentrale elektronische voorziening en de aansluiting daarvan op de centrale elektronische voorziening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
4.
Bij ministeriële regeling worden, in de vorm van het Stelselontwerp gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI, regels gesteld over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het eerste en derde lid.
1.
De gebruikers dragen op uniforme wijze zorg voor de beveiliging van de gegevensverwerking door middel van de elektronische voorzieningen tegen inbreuken op de beschikbaarheid, de integriteit en de vertrouwelijkheid.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over deze beveiliging.
1.
De elektronische voorzieningen worden tevens gebruikt voor de verwerking van gegevens als bedoeld in
artikel 62, tweede lid, tweede zin, van de Wet SUWI indien er een overeenkomst is gesloten tussen één van de gebruikers, voor zover die tot de gegevensverstrekking of het opvragen van de gegevens bevoegd is, en een derde partij. De overeenkomst heeft in ieder geval betrekking op de gegevens die worden verstrekt en de stelselmatigheid van de verstrekking en de voorwaarden voor het gebruik van die gegevens.
2.
In geval één van de partijen bij een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid een college van burgemeester en wethouders is kan een rechtspersoon die de gemeente vertegenwoordigt namens het college van burgemeester en wethouders als partij optreden.
3.
Op de gegevensverstrekking, bedoeld in dit artikel, is
artikel 5.20 van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.
1.
Het Inlichtingenbureau is bewerker in de zin van de
Wet bescherming persoonsgegevens voor het verwerken van gegevens die bij of krachtens enige wet door tussenkomst van het Inlichtingenbureau aan of door colleges van burgemeester en wethouders worden verstrekt, voor zover
artikel 62 van de Wet SUWI van toepassing is, en voor het verwerken van de gegevens noodzakelijk voor het verlenen van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, bedoeld in
artikel 255 van de Gemeentewet, die door het UWV, de Dienst wegverkeer of de rijksbelastingdienst op grond van enig wettelijk voorschrift worden verstrekt aan colleges van burgemeester en wethouders.
2.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens door het Inlichtingenbureau worden verwerkt en onder welke voorwaarden het Inlichtingenbureau als bewerker voor colleges van burgemeester en wethouders optreedt.
1.
De kosten van het Inlichtingebureau voor de uitvoering van de taken, bedoeld in
artikel 5.24, eerste lid, komen ten laste van de daartoe door Onze Minister toegekende rijksbijdrage.
2.
Het Inlichtingenbureau stelt hiertoe elk jaar een begroting en een jaarplan voor het komende kalenderjaar vast en biedt deze vóór een door Onze Minister vast te stellen datum aan hem aan.
3.
Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten van het Inlichtingenbureau voor het eerstvolgende kalenderjaar vast. Hij kan besluiten dit budget te wijzigen. Het Inlichtingenbureau gaat met betrekking tot de uitvoering van zijn wettelijke taken geen verplichtingen aan en doet geen uitgaven die leiden tot een overschrijding van het vastgestelde budget. Wanneer het budget niet is vastgesteld vóór 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, is het Inlichtingenbureau bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te houden, te beschikken over ten hoogste een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor een geheel jaar is vastgesteld. Onze Minister kan besluiten dat het Inlichtingenbureau in een geval als bedoeld in de vorige zin, kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor een geheel jaar is vastgesteld.
4.
Het Inlichtingenbureau stelt jaarlijks een jaarverslag en een jaarrekening op en biedt deze vóór 15 maart van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop deze betrekking hebben aan Onze Minister aan. Het Inlichtingenbureau beschrijft in zijn jaarverslag de taakuitoefening, het gevoerde beleid en de doelmatigheid van de uitvoering van de taken, bedoeld in
artikel 5.24, eerste lid, in het afgelopen jaar en legt in zijn jaarrekening rekening en verantwoording af over het financieel beheer, alsmede over de rechtmatigheid van genoemde taken in het verstreken boekjaar. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het Inlichtingenbureau aangewezen accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige besteding van de middelen door het Inlichtingenbureau. De accountant voegt bij de verklaring tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van het Inlichtingenbureau voldoen aan de eisen van doelmatigheid.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud en de indiening van de begroting en ontwerpen daarvan, het jaarplan, tussentijdse verslagen, het jaarverslag, de jaarrekening, de verklaring, bedoeld in het vierde lid, en het aan die verklaring ten grondslag liggende onderzoek.
Artikel 6.1. Wijziging wettelijke grondslag
Dit besluit berust mede op
artikelen 7, zesde lid, en
67, derde lid, van de Wet werk en bijstand,
artikel 34, vijfde lid, van de IOAW,
artikel 34, vijfde lid, van de IOAZ en de
artikelen 21, tweede lid en
43, derde lid, van de WWIK.
's-Gravenhage, 20 december 2001
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de achtentwintigste december 2001
De Minister van Justitie,