1.
Onze Minister van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba, verantwoordelijk voor scheepvaart, onderzoekt schriftelijke meldingen over of aanwijzingen van onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord van houders van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in
artikel 19, eerste lid , of
artikel 33, tweede lid .
2.
Onze Minister stelt de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs, te wiens aanzien een gegrond vermoeden van onbekwaamheid tot het uitoefenen van zijn functie aan boord bestaat, daarvan in kennis. Hij is verplicht zich bij de eerste gelegenheid te onderwerpen aan een onderzoek met inachtneming van door Onze Minister te geven aanwijzingen.
3.
Bij gegrond vermoeden van onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze Minister aangewezen deskundige op de voet van hoofdstuk 4.
4.
Indien de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs niet aan de in het tweede lid bedoelde verplichting voldoet, zonder dat van een geldige reden daartoe blijkt, kan het hoofd van de Scheepvaartinspectie zonder nader onderzoek het afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs ongeldig verklaren.
2.
Een vaarbevoegdheidsbewijs kan door het hoofd van de Scheepvaartinspectie voorts worden ingetrokken, indien is gebleken dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn opgegeven, dan wel dat valse of vervalste documenten zijn overgelegd.
3.
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, ter voorkoming van een noodsituatie of gevaar voor het scheepvaartverkeer, de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs voor ten hoogste 24 uur een verbod opleggen aan boord van een schip een functie uit te oefenen of werkzaamheden te verrichten.
4.
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in
artikel 33, tweede lid , in, indien de geldigheid van het buitenlandse diploma, kennisbewijs of bevoegdheidsbewijs op grond waarvan dat vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven, door of vanwege de bevoegde buitenlandse autoriteit is geschorst of beëindigd.
5.
Het hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt de bevoegde buitenlandse autoriteit in kennis van de toepassing van het eerste of tweede lid van dit artikel.