1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a.
Onze Minister
Onze Minister van Defensie;
c.
militair in werkelijke dienst – tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald – de militair die:
1.
is aangesteld bij het beroepspersoneel, tenzij hij op non-activiteit is gesteld of hem buitengewoon verlof van lange duur is verleend;
2.
behoort tot het reservepersoneel en als zodanig feitelijk onder de wapenen is;
d.
officiersrang
de rang van luitenant ter zee der 3
e klasse of van tweede-luitenant of een hogere rang;
e.
krijgsmachtdeel:
de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee;
f.
militaire inkomsten
alle beloningen in geld waarop de militair aanspraak kan maken krachtens de voor hem geldende bezoldigingsregeling of bezoldigingsregelingen, en krachtens de ter uitvoering van deze regeling of regelingen gegeven voorschriften;
h.
de commandant operationeel commando
de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;
i.
hoofd defensieonderdeel
1°.
de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2°.
de commandant operationeel commando voor het desbetreffende commando;
3°.
de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
4°.
de commandant van het Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando Dienstencentra.
j.
de commandant
een bij ministeriële regeling aan te wijzen functionaris;
k.
doorstroombesluit:
een besluit waarmee de militair wordt medegedeeld dat de loopbaan bij Defensie al dan niet wordt voortgezet;
m.
fase twee: de periode van de datum waarop fase één eindigt tot en met de datum waarop het doorstroombesluit in werking treedt, respectievelijk de periode na inwerkingtreding van een doorstroombesluit indien hierin wordt bepaald dat de loopbaan bij Defensie niet wordt voortgezet;
n.
fase drie: de periode na inwerkingtreding van een doorstroombesluit waarin wordt bepaald dat de loopbaan bij Defensie wordt voortgezet.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt mede begrepen onder «rang», «stand» of «klasse»: de bij het
koninklijk besluit van 20 juni 1956 (Stb. 361) met die rang, stand of klasse gelijkgestelde rang, stand of klasse.
3.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
a.
echtgenote of echtgenoot
1°.
de geregistreerde partner;
2°.
degene die door de militair als partner is aangemeld bij de Stichting pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de militair een bewijs van die aanmelding heeft overlegd aan de commandant;
1°.
geregistreerd partnerschap;
2°.
het samenleven met de partner die door de militair als zodanig is aangemeld bij de Stichting pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
4.
De gelijkstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2° en onderdeel b, onder 2° eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door het Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De militair meldt die doorhaling aan de commandant, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.
5.
Voor de toepassing van de
hoofdstukken 5 ,
7 ,
8 ,
9 en
10 , alsmede de
artikelen 39, tweede lid, onderdelen a, f en g ,
39a, aanhef en onderdeel e ,
44 , 49 ,
126b ,
126d tot en met 126f , 130 ,
134 en
144 tot en met 148 , wordt onder «militair» mede begrepen hij die bij het Ministerie van Defensie op grond van
artikel 6 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn. Deze geestelijk verzorger wordt, in voorkomend geval, mede begrepen onder het beroepspersoneel. De
hoofdstukken 4 ,
5 ,
6 en
8 , alsmede de
artikelen 70b ,
70d tot en met 70f ,
76 ,
85 ,
87a ,
88 ,
93 ,
109 tot en met 111 ,
114 ,
121, eerste lid, onderdelen f en h, derde lid ,
127 en
127a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie zijn op hem niet van toepassing.
6.
Voor de toepassing van de hoofdstukken en artikelen, genoemd in het vijfde lid, wordt voor de geestelijk verzorger als genoemd in het vijfde lid in voorkomend geval onder hoofd defensieonderdeel verstaan: de commandant van het Commando Dienstencentra.
7.
Op degene die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger niet doorlopend werkzaam te zijn, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hij in voorkomend geval wordt mede begrepen onder het reservepersoneel.